Autonomie – deel 4

Thema’s: ,

Naar aanleiding van ons inmiddels uitverkochte theatercollege Lastige kinderen? Heb jij even geluk! in het Fulcotheater in IJsselstein nemen we je de komende weken in onze omdenkverhalen graag mee in onze kijk op de opvoeding. We richten ons op één van de meest belangrijke behoeften van een kind: autonomie. Het is namelijk ook meteen de behoefte die voor het meeste gedoe zorgt. Vorige week publiceerden we deel 3. Heb je die nog niet gelezen? Doe dat eerst even, dan kunnen we daarna verder met deel 4. Het laatste deel van deze reeks. Vandaag ligt de nadruk op iets dat de meeste mensen ongelooflijk moeilijk vinden: loslaten…

Loslaten

Waarover kinderen besluiten kunnen nemen verschilt per leeftijd. Op het moment dat kinderen geboren worden zijn ze vrijwel hulpeloos en machteloos. Alle besluiten met betrekking tot ons kind zullen we zelf, naar eigen inzicht, moeten nemen. Met het ouder en zelfstandiger worden van kinderen ontstaat er een subtiel samenspel tussen ouder en kind, waarbij je als ouder steeds wat meer ruimte geeft aan het kind om zelf besluiten te mogen nemen. Het tempo van loslaten luistert nauw. Te lang vasthouden is niet goed, maar te snel loslaten ook niet.

Helaas bestaan er geen wetmatigheden om te bepalen welk kind je wanneer, waarover verantwoordelijkheid geeft. Sommige kinderen kunnen en willen snel verantwoordelijkheden dragen, andere kinderen niet. Daarnaast is het zo dat de mate waarin we onze kinderen verantwoordelijkheid kunnen geven, sterk samenhangt met de mate waarin wij onszelf als volwassenen als een autonoom wezen zien. Als je je kinderen als een verlengstuk van jezelf ziet, als je het idee hebt dat jij als ouder gefaald hebt, als je kinderen falen, is het onmogelijk om je niet voortdurend met ze te bemoeien. Om kinderen als een autonoom wezen te kunnen behandelen, is het dan ook noodzakelijk om in te zien dat zij totaal anders kunnen zijn dan wij. En dat is niet altijd even makkelijk. Hoe moet het voor een uiterst muzikaal gezin zijn om een kind te hebben dat geen enkel gevoel voor muziek heeft? Hoe moet het zijn voor een intellectueel gezin waar doorleren de standaard is, om een kind te hebben dat niet of nauwelijks leren kan? Van kinderen houden betekent per definitie dat we ze zullen moeten loslaten en het risico moeten nemen dat het (dus) weleens mis kan gaan. Kinderen leren hun eigen lessen. Met vallen en opstaan. Tegelijkertijd zijn we als ouder (mede)verantwoordelijk voor het inschatten van risico’s. Met de fiets alleen naar school, oké, maar wat als een elfjarig meisje over de wereld wil zeilen? Dan kan een heel land maanden in de war zijn. De cruciale vraag is dan ook: hoe bepalen we wanneer we een kind op een verantwoorde manier los kunnen laten? We willen je daartoe een aantal hulpmiddelen aanreiken.

Niets doen

Het eerste hulpmiddel om los te kunnen laten is het meest voor de hand liggende: gewoon niets doen. In nogal wat gevallen is er geen enkel risico aanwezig. Vaak staan we er gewoon niet bij stil dat we het kind zijn autonomie kunnen geven. We zijn zo gewend zelf bepaalde dingen te doen, dat we de mogelijkheid dat het kind het zelf zou kunnen doen simpelweg over het hoofd zien.

Een moeder vertelde ons dit: ‘Elk bezoek aan de supermarkt met mijn zoontje van 2 jaar resulteerde in een continue reeks van opmerkingen als “nee”, “niet doen”, “afblijven”, “terugleggen”, “niet aankomen”, “hebben we niet nodig”, enzovoort. Tot ik op het idee kwam zelf alleen nog maar het winkelwagentje te duwen en zoonlief alle boodschappen te laten pakken. Kind blij, moeder rustig en bovendien leerde hij de woorden van alle boodschappen en wist na een paar weken feilloos de weg in de supermarkt.’

Ook als een besluit van een kind een verkeerd besluit lijkt te zijn, wil dat niet altijd zeggen dat het ook verkeerd is. Als een kind iets wil wat ons niet bevalt, kunnen we ons ertegen verzetten, maar we zouden ook kunnen onderzoeken in hoeverre we niet ons voordeel met het ‘slechte’ besluit zouden kunnen doen. Misschien is het zo dat er, net als in het voorgaande voorbeeld, bij nadere beschouwing helemaal niets aan de hand is.

Laten we dat illustreren met een voorbeeld: ‘Donderdagavond halftwaalf. Tandenpoetsen. Mijn vriend heeft een mededeling. “De kinderen willen met mij op vakantie. Alleen.” “Alleen?” “Ja, alleen. Zonder jou.” “O!” antwoord ik. Au! Dat doet pijn. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd: Ik hoor er inmiddels toch ook bij? Wij kunnen het zo goed met elkaar vinden, zijn kinderen en ik. Waarom mag ik dan niet mee? En waarom willen ze mij niet? Maar ik zeg niets. Ik voel de pijn, de afwijzing, het er niet bijhoren; oude thema’s in mijn leven. Ik laat het even zo. En langzamerhand ebt de pijn weg. Kan ik wat objectiever naar de situatie kijken. Want wat zeggen zijn kinderen in feite? Alleen maar dat ze wat meer tijd met hun vader willen doorbrengen. Dus: dit zegt niets over mij. Of over het contact tussen zijn kinderen en mij. Het gaat zelfs helemaal niet over mij. Ik realiseer me dat het goed is om mijn eigen pijn te voelen. Vervolgens kan ik met een andere blik kijken. Kan ik zien dat ik helemaal niet word afgewezen. En op dat moment kan ik hun hun eigen vakantie gunnen. Met hun vader. Ik voel me niet meer afgewezen. En dat maakt me weer blij.’

Consequenties

Een tweede hulpmiddel om los te kunnen laten is het op een realistische manier in beeld brengen van de consequenties van een besluit. Zo lazen we het verhaal van een vrouw die in Ierland geboren was en die op negenjarige leeftijd tegen haar vader had gezegd dat ze later nieuwslezeres voor de BBC wilde worden. Haar vader luisterde serieus, daarna zei hij: ‘Dat lijkt me geweldig. Als dat is wat je wilt, ga ervoor, ik hoop dat het je lukt. Ik heb ook een vraag. Heb je erover nagedacht dat je dan ook een Britse uitspraak zal moeten hebben? Als je dat echt wilt, zal je dat goed moeten oefenen.’

Ervoer het meisje deze ‘feedback’ als een belemmering? Integendeel. Ze ervoer het als stimulans. Ze vertelt over haar vader: ‘Omdat hij zo serieus zei dat ik aan mijn uitspraak moest werken, wist ik dat hij erin geloofde dat ik dit écht zou kunnen bereiken. Het voelde niet als twijfel, het voelde als een rotsvast geloof in mij, dat ik zou kunnen bereiken wat ik wilde, als ik maar mijn best ervoor zou doen.’ Het aardige is (uiteraard) dat deze vrouw later nieuwslezeres voor de BBC geworden is.

Als kinderen beseffen dat ze over een bepaald onderwerp echt alleen mogen beslissen en dat we hen – ook als we het met hun besluit niet eens zijn – niet zullen tegenwerken, is de kans groot dat ze onze overwegingen en adviezen uiterst serieus zullen nemen. Ze beseffen dat we niet bezig zijn hen om te praten, maar te informeren. Hoe meer we in staat zijn kinderen los te laten, des te serieuzer zullen ze luisteren naar onze overwegingen.

Melanie, een meisje van 14 jaar, wil met vijf meiden van haar leeftijd kamperen in Renesse. Zonder ouders. Er gaan ook jongens mee van de zwemclub. Haar ouders vinden het niks, maar voelen ook niet de behoefte het meteen te verbieden. Ze vragen haar wél te vertellen wie er precies meegaan en of ze het allemaal wel vertrouwt: zijn het aardige jongens en meisjes, hebben ze ervaring met kamperen, heb je vaker met ze opgetrokken, hoe zijn ze als je met ze uitgaat? Melanie reageert eerst geïrriteerd – jullie moeten ook alles weten – maar haar ouders leggen haar uit dat ze dat ook om haar eigen bestwil doen. ‘Wie weet kom je in een situatie waar je later spijt van hebt.’ Uiteindelijk gaan de ouders akkoord en maken ze met Melanie de afspraak dat ze – als het uit de hand loopt – meteen zal bellen en dat ze haar dan komen halen. Iedereen blij. Maar de volgende dag vertelt Melanie tijdens het avondeten dat ze besloten heeft om niet te gaan. Ze denkt dat het niet leuk wordt, dat haar kampeergenoten geen maat zullen kunnen houden en het een ‘dronken troep’ wordt. Ze gaat liever nadenken over een andere vakantie. Achteraf bleek het een zeer verstandig besluit. Het werd inderdaad een ‘dronken troep’ en een paar van de jongens waren midden in de nacht van de camping gegooid.

Een bondgenoot

Er is nog een derde hulpmiddel om te kunnen loslaten. We zijn bij het grootbrengen van onze kinderen niet alleen. We beschikken over een sterke, onzichtbare bondgenoot. Hij is elke dag bij ons. Hij zal er ook altijd zijn, wat we ook doen. Zelfs als we zouden willen dat hij er niet is, is hij aanwezig. Hij is soms liefdevol, warm en weldadig, maar vaker genadeloos, onontkoombaar en pijnlijk confronterend. Soms zullen zelfs wij schrikken van zijn onbuigzaamheid ten opzichte van onze kinderen. Zijn lessen kunnen hard zijn en als er niet naar geluisterd wordt, zullen ze harder en harder worden. Net zolang tot we ze begrijpen. We hebben het hier niet over een religie, Hogere Macht of spirituele waarheid, we hebben het hier over de meest helende kracht die er in het leven is, zowel voor kinderen als volwassenen. Onze krachtigste bondgenoot is De Realiteit. De dingen zoals ze zijn. De werkelijkheid.

We hoeven onze kinderen niet alles te leren. Ze kunnen zelf leren. We hoeven ze niet eerst in een veilige, beschermde omgeving – op de crèche, op school of thuis – voor te bereiden op de harde werkelijkheid, zodat ze zich er daarna veilig in kunnen bewegen. We kunnen ze zelf laten ervaren wat de gevolgen van hun gedrag zijn. Natuurlijk gaat dat stapje voor stapje en moeten we ze daarin begeleiden en ook wij zullen daarbij moeten leren wat ze al wel en wat ze nog niet kunnen. Zo zal je als ouders van een klein kind, zodra het kan lopen, snel genoeg in de gaten hebben dat het handig is om voorwerpen die ze kapot kunnen maken buiten hun bereik te plaatsen en stopcontacten waar ze hun vingertjes in kunnen steken te beveiligen. Maar als je wilt dat ze leren lopen en rennen, dan hoort af en toe een blauwe knie erbij. Zolang ze niet verhongeren, verbranden of anderszins onherstelbare schade ondervinden: niet ingrijpen.

Ter illustratie. Er was eens een leerling die zijn huiswerk niet of nauwelijks maakte en er ook schampere opmerkingen over maakte. ‘Huiswerk is voor watjes.’ In plaats van zich er druk over te maken, deelde de docent de jongen op een dag mee dat hij geen huiswerk meer mócht maken en dat hij de leerlingen dus ook geen huiswerkopdrachten meer zou geven. ‘Zonde van het kopieerwerk,’ beargumenteerde de docent. Na twee weken kwam de jongen bij zijn docent of hij niet toch, alsjeblieft, net als alle anderen huiswerk mocht krijgen. De docent hield echter zijn poot stijf, met als gevolg dat de jongen het huiswerk van zijn klasgenoten moest lenen om van zijn eigen geld kopieën bij de plaatselijke C1000 te maken. Toen de docent dat hoorde, vertelde hij de jongen dat hij vanaf dat moment zijn huiswerk weer kon krijgen.

Met name als het gaat om zoiets fundamenteels als eten, maken we ons als ouders snel zorgen over of ons kind niet tekortkomt. Eten kan dan ook makkelijk een punt van strijd worden. Wanneer moeten we vasthouden aan wat wij verstandig vinden, wanneer kunnen we loslaten? Zo’n vraagstuk kan nogal wat tijd in beslag nemen. Dat is niet altijd nodig. Als je zorgt dat er verder geen snoep in huis is, krijgen ze vanzelf wel weer trek. Of, nog beter, zin om weer gezellig aan te schuiven en mee te eten.

Zo vertelt een vrouw over haar dochter die de volgens moeder ‘befaamde peuterpuberteit’ bereikte, dat haar dochter tot voor kort alles at, maar op een dag ontdekte dat eten ook geweigerd kon worden. Moeder wilde hierover niet met haar dochter in een strijd verwikkeld raken. Zij vertelt: ‘Binnen onze familie is de maaltijd ook een sociale gebeurtenis, we vinden het heerlijk om te koken, te genieten van het eten en het samenzijn. Als ik mijn dochter zou dwingen, zou eten niet meer gezellig zijn, maar gelijkstaan aan strijd. Ik besloot het over een andere boeg te gooien: ze hoefde niet te eten als ze niet wilde. Sterker nog, ik heb de focus verbreed naar “eten doe je met elkaar”. Als ze niet wilde eten, hoefde ze niet mee te doen. Maar ja, mijn dochter is een gezelligheidsdier en kwam wel regelmatig bij de tafel staan. Elke keer als dat gebeurde, zei ik tegen haar: “Je hoeft niet te eten, lieverd. Ga maar lekker spelen, als we klaar zijn, komen we bij je. Ik ga nu verder eten met papa.” Bij de tussendoortjes sloegen we haar over en zeiden zorgzaam: “Jij hoeft niet, hoor.” Ik was er echt van overtuigd dat het háár beslissing moest zijn om weer te gaan eten. Ik besloot nog een stapje verder te gaan. ’s Ochtends maakte ik voor mezelf ontbijt klaar, en zonder wat te zeggen of te vragen ging ik aan tafel zitten. Hierop liep ze naar me toe en vroeg of zij ook mocht mee-eten. Ik reageerde met: “Gezellig!” en maakte een boterham klaar. Vanaf dat moment heeft ze geen maaltijd meer overgeslagen en haar lust tot nieuwe dingen proeven heeft ze behouden. Inmiddels is ze negen jaar en helpt ze me met koken.’

Als het gaat om kinderen kunnen loslaten, is de realiteit de perfecte bondgenoot. Als kinderen iets willen wat je als ‘lastig’ ervaart, kan je het ze verbieden, maar je kan het ook toestaan, zodat ze in de realiteit kunnen ervaren wat de consequenties van hun gedrag zijn. Niet uit machteloosheid of rancune – ‘Als je zonodig op kamers moet, dan ga je maar, maar je hoeft niet huilend op de stoep te staan, want we laten je er niet meer in’ – maar om het kind oprecht de ruimte te geven te onderzoeken wat de gevolgen zijn van zijn of haar gedrag. Met dat bewust laten ervaren van de consequenties van gedrag kan je bij kinderen al op zeer jonge leeftijd beginnen, zoals blijkt uit onderstaand verhaal van een kleuterjuf.

‘Elke dag werd er in mijn kleuterklas uitbundig gespeeld. Met glanzende ogen en dynamische bewegingen gingen de kinderen op in hun spel. Wanneer ik aankondigde dat we gingen opruimen, dan werd de groep plots lamlendig en zat met de duim in de mond moe te zijn. In een kringgesprek vroeg ik ernaar. Schrander zei de klassenoudste: “Ja juffie, maar opruimen is zooo stom. En niet nodig. Want straks spelen we weer.” Deze overweging vond ik het experiment waard. Misschien had het kind gelijk. En dus ruimden we vanaf dat moment niet meer op. De eerste dagen waren de kinderen opgetogen en loodsten ze hun geschrokken ouders via erg smalle paadjes door de zooi. We konden geen kring meer maken door ruimtegebrek. Als een sneeuwruimer moest je je begeven van de ene naar de andere plek. Op een gegeven moment was het zo erg, dat zelfs mensen van buiten de school kwamen kijken. Maar ik hield vol en greep niet in. Wat gebeurde er na vier dagen? De kinderen begonnen als vanzelf op te ruimen. Ze waren klaar met de troep. Sindsdien hoorde ik deze groep nooit meer een weerklank uiten wanneer ik af en toe voorstelde om met z’n allen op te ruimen.’

Kinderen en jongeren kunnen vaak verrassend goed reflecteren op hun gedrag. Dat hoeven wij niet voor hen te doen. Als we ons er niet te veel mee bemoeien, hoeven wij hun niet te vertellen wat wel en niet werkt, maar zullen ze dat op hun eigen manier doen. Door hun grenzen en mogelijkheden te mogen onderzoeken, zullen zij zichzelf kunnen opvoeden. En dat doen ze vaak stukken beter dan we denken. Zelfs al op zeer jonge leeftijd.

Moeten loslaten

Een vierde hulpmiddel om te leren loslaten heeft te maken met het inzicht dat we op een gegeven moment wel moeten. We hebben geen andere keus. De verleidingen van het ouder worden – uitgaan, vriendjes, roken, blowen, feestjes – zijn op een gegeven moment zo sterk, dat je als ouder niet anders kan dan je erbij neerleggen dat ze de leeftijd bereikt hebben waarop je ze echt moet gaan loslaten. Bij het ene kind is dat moment er eerder dan bij het andere kind, maar als het er eenmaal is, is het er. Je daartegen verzetten is een vorm van vastdenken. Het maakt dat er alleen maar meer conflicten komen. Eigenlijk heb je als ouder op dat moment maar één optie. Loslaten. En in de buurt blijven, mocht het alsnog misgaan.

Een moeder van een zestienjarige zoon die steeds meer ‘grensoverschrijdend gedrag’ begon te vertonen, vertelt daarover: ‘Hij zette zich tegen ons af door laat thuis te komen, te spijbelen, zijn telefoon niet op te nemen, et cetera. Waar ik écht bang voor was, was dat hij drugs zou gaan gebruiken. Als ik het hem zou verbieden of op de gevaren van drugs ging hameren, had dat waarschijnlijk een averechts effect. Ik moest iets beters verzinnen. Wat als ik mijn zoon tot bondgenoot maakte, hem medeplichtig zou maken aan mijn “belangstelling” voor drugs? Dus zei ik op een dag tegen hem dat ik altijd al eens had willen blowen, maar dat je in mijn tijd moeilijk aan hasj of wiet kon komen. Of híj misschien, als hij een keer met drugs ging experimenteren, dit met mij samen zou willen doen? Mijn zoon keek me bevreemd aan. Dit kon toch niet waar zijn? Zijn oude moeder, geïnteresseerd in drugs? Hoe gênant kon het worden? Maar ik was nog niet klaar en fantaseerde er lustig op los. We konden een weekend plannen dat er niemand in de buurt was, stelde ik voor. Hij kon de drugs halen en samen met mij uitproberen. Mijn zoons verbazing ging over in verontrusting en verwarring, hij zei dat hij erover zou nadenken, kreeg vervolgens de slappe lach en kneep ertussenuit. Later zou hij het hele voorval als een goeie mop aan zijn vrienden vertellen. Maar mijn strategie had wel effect. Dankzij mijn overdosis aan belangstelling was het onderwerp drugs geen verboden gebied meer. En na een goed gesprek over de voor- en nadelen ervan, zei mijn zoon op bezorgde toon: “Nou mam, ik heb het voor je uitgezocht: begin er maar niet aan.”‘

Tot hoe laat je als kind uit mag gaan is een vergelijkbaar strijdpunt. Wanneer is het moment aangebroken dat er geen eindtijd meer hoeft te worden afgesproken? Ook daar bestaan geen wetten en regels voor. Per kind, per situatie ligt dat anders. Wat wél vaststaat is dat er altijd een moment zal komen dat je het wel los zal moeten laten. Strijd voeren heeft simpelweg geen zin meer. Het is niet de vraag óf je je kind moet loslaten. Het is alleen de vraag wanneer.

‘Toen mijn dochter zestien jaar was, had ik voortdurend strijd met haar over de tijd waarop ze thuis moest komen. Ik wilde uiteraard een controleerbare eindtijd afspreken en zij wilde natuurlijk altijd later. Als we een tijd hadden afgesproken, had ze steeds de neiging om (veel) later thuis te komen. Hoe meer ik mijn best deed daar met haar, in mijn ogen redelijke, afspraken over te maken, des te meer weerstand vertoonde ze. Tot ik het er op een dag helemaal mee had gehad. Ik besloot het radicaal anders aan te pakken. Tijdens het avondeten zei ik tegen haar: “Ik heb er geen zin meer in hier langer strijd over te voeren. Wat mij betreft mag je vanaf nu zelf weten hoe laat je thuiskomt. Zolang jij zorgt dat je de dingen die je moet doen, zoals naar school gaan en je huiswerk maken, ook doet, is het verder aan jou om te beoordelen wat al dan niet kan. Ik beloof je, dan zal ik me verder nergens mee bemoeien.” Uiteraard ging mijn dochter akkoord met dit voorstel. Zelf vond ik het erg spannend, ze was per slot van rekening pas zestien en nog steeds mijn kleine meid. Wie weet zou ze in niet zeven, maar wel twintig sloten tegelijkertijd lopen. Maar ja, ik had het gevoel werkelijk met mijn rug tegen de muur te staan. Ik vond de voortdurende strijd niet alleen zinloos, ik hield het simpelweg niet meer vol. Dus zo gezegd, zo gedaan. De eerste weken ging, zoals ik wel verwacht had, de handrem bij mijn dochter er volledig af. Drie uur, soms pas vier uur ’s nachts thuis, wie weet wat ze allemaal uitspookte. Uiteraard maakte ik me daar grote zorgen over. Maar aangezien ze zich verder keurig hield aan haar andere afspraken, had ik geen reden om onze overeenkomst te wijzigen. Na een maand of drie, op een zaterdagavond, een uur of elf ’s avonds, hoorde ik de voordeur. Het was mijn dochter. Ik dacht: die is zeker iets vergeten. “Waarom ben je zo vroeg al weer terug?” vroeg ik haar. “O,” zei ze, “er was niks meer aan, ik dacht: ik ga maar weer naar huis.” Achteraf kan ik nu zeggen, ze is inmiddels allang het huis uit en heeft zelf al kinderen, dat deze avond het keerpunt was. Daarna ging ze ook nog weleens laat uit, maar zo absurd laat als daarvoor heeft ze het nooit meer gemaakt. Waarom niet? Omdat ze niet meer haar vrijheid hoefde te bewijzen. Ze had die immers al.’

Risico

Een vijfde en laatste hulpmiddel om te leren loslaten is het inzicht dat loslaten een geschenk kan zijn. Natuurlijk houdt loslaten een bepaald risico in, maar wat als we dat risico nou eens bewust zouden creëren? Niet om je kind in gevaar te brengen, maar omdat we van mening zijn dat een kind dat risico prima aankan? Als het erom gaat de autonomie van kinderen écht te stimuleren, is er niets mooiers dan hen ‘echte dingen’ in de ‘echte wereld’ te laten doen met ‘echte consequenties’.

Een voorbeeld uit de jeugd van Berthold: ‘Op een dag vroeg mijn vader me of ik de weekomzet van de markt naar het postkantoortje bij ons in de buurt wilde brengen. In totaal ging het om een bedrag van maar liefst 1.500 gulden. Mijn vader had het geld in een plastic zak gedaan en voor me klaargelegd. Ik was al bezig mijn fiets klaar te zetten, toen mijn moeder tussenbeide kwam. ‘Ik vind dat geen goed idee, Ger,’ sprak ze verontwaardigd tot mijn vader. ‘Je laat een jongen van tien jaar toch niet met zoveel geld over straat gaan? Stel je voor dat hij beroofd wordt of het geld onderweg kwijtraakt?’ Mijn vader bleef rustig. ‘Maak je geen zorgen, hij kan dat best, hij raakt dat geld echt niet kwijt en wie verwacht er nou dat een jongen van tien jaar zoveel geld in een plastic zakje met zich meedraagt? Niemand toch!’ Na enig tegensputteren liet mijn moeder me gaan. Even later fietste ik angstvallig met een tasje aan mijn stuur naar het postkantoor. Uit angst dat ik me te opvallend zou gedragen, durfde ik bijna niet om me heen te kijken. In het postkantoor wachtte ik zo gewoon mogelijk mijn beurt af en legde daarna het geld op de balie. De man telde het geld en gaf mij daarna een gestempeld stortingsbewijs mee. Dit bewijs deed ik zorgvuldig, als een kostbaar kleinood, in mijn inmiddels lege plastic tas en zo fietste ik terug naar huis. ‘En, gelukt?’ vroeg mijn vader me bij thuiskomst. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘hier is het stortingsbewijs.’ ‘Mooi. Fijn dat je dat voor me gedaan hebt,’ reageerde mijn vader, ‘dat scheelde me heel veel tijd.’ Uiteraard was ik trots dat het gelukt was. Maar misschien was ik nog wel het meest trots omdat mijn vader er verder geen circus van maakte met dankbetuigingen, schouderklopjes en andere loftuitingen. Juist het feit dat hij het heel normaal vond dat ik dit kon, zei me hoezeer hij me als autonoom wezen waarnam en vertrouwde.’

Het is van belang om te zien dat de ervaring die Berthold had met zijn vader zo vormend werkte, omdat hij er juist geen pedagogische bedoelingen mee had. Het was niet zijn doel een didactische setting te construeren of Berthold op te voeden. Hij liet hem niet het geld wegbrengen om hem te leren geld weg te brengen. Hij liet hem geld wegbrengen om het geld weg te brengen. Net zoals de leerlingen van de hotelschool uit deel 3 niet een hotel runden om te leren een hotel te runnen, maar om een hotel te runnen. We kunnen kinderen dan ook geen groter geschenk geven dan ze bewust autonomie te verlenen.

De wereld van vandaag en morgen heeft meer en meer behoefte aan autonome mensen. Mensen die zelfstandig kunnen nadenken, weten wat ze willen, zelf besluiten kunnen en willen nemen en de verantwoordelijkheid daarover willen dragen. Het onderwijs en in zekere zin ook de opvoeding zoals wij die kennen, heeft altijd een grote nadruk gelegd op discipline en doorzettingsvermogen. Soms is het leven niet leuk, gewoon even doorzetten, dat hoort er nou eenmaal bij. Met die normen en waarden is niks mis. Ze zijn op zich prima. Ze passen prima bij de wereld van vroeger en voor een deel ook prima bij de wereld van dit moment, maar meer en meer is er behoefte aan een andere mentaliteit.

Discipline en doorzettingsvermogen zijn goed, maar ze zijn niet goed genoeg. Er is méér nodig dan wilskracht alleen. Wilskracht op zich is blind. Waar leidt het toe? Wat kan je ermee? Op welk gebied zou je wilskracht op moeten brengen? Het is van fundamenteel belang dat kinderen de ruimte krijgen om na te denken over wat ze zélf willen, waar hun passie ligt. Als het gaat om autonomie en discipline is het dan ook geen kwestie van of/of, maar en/en. Niet autonomie of discipline, maar autonomie én discipline. Autonomie zonder discipline leidt nergens toe, maar discipline zonder autonomie evenmin. Door die twee met elkaar te combineren, ontstaat er een nieuwe wereld.

Verder lezen?

Dat was het! In vier delen hebben we je meegenomen in onze visie op autonomie. Die heerlijke eigengereidheid van kinderen waardoor zij, maar ook hun ouders, opvoeders en onderwijzers, vaak in lastige situaties terecht komen. Maar waardoor ze ook enorm veel kunnen leren. Als je ze de kans geeft. Hopelijk hebben we je wat handvatten gegeven om lastig gedrag van kinderen om te denken. Smaakte dit naar meer? Lees dan vooral Bertholds boek Lastige kinderen? Heb jij even geluk! en duik nog verder in de wereld van omdenken in de opvoeding en het onderwijs.

Heb jij ook een omdenkverhaal?

Iedere zondag lees je op deze website een Omdenkverhaal. Kom je zelf zo’n verhaal tegen? Bijvoorbeeld in de krant, op je werk, thuis of online. Of heb je zelf iets omgedacht dat perfect past tussen alle Omdenkverhalen op deze website? Laat het ons dan vooral weten, want we zijn altijd op zoek naar fraaie voorbeelden. Mail jouw verhaal of tip naar contact@omdenken.nl. Dank je wel!

Deel dit verhaal:

Iedere zondag in jouw mailbox?

Wil je geen enkele moeite hoeven doen om ieder week ons omdenkverhaal te lezen? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief en ontvang zondagochtend een grappig, creatief of inspirerend verhaal in jouw mailbox.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief