Naar aanleiding van ons theatercollege Lastige kinderen? Heb jij even geluk! in het Fulcotheater in IJsselstein nemen we je de komende weken in onze omdenkverhalen graag mee in onze kijk op de opvoeding. We richten ons op één van de meest belangrijke behoeften van een kind: autonomie. Het is namelijk ook meteen de behoefte die voor het meeste gedoe zorgt. Vorige week publiceerden we deel 1. Heb je die nog niet gelezen? Doe dat eerst even, dan kunnen we daarna verder met deel 2. We duiken onder andere in de derde vorm van autonomie: verantwoordelijkheid.
Zelf nadenken
Vorige week bespraken we dat kinderen recht hebben op zoiets als psychologische autonomie, maar de vraag is of kinderen zelf die autonomie ook wel altijd nastreven. Het is ergens wel makkelijk als volwassenen voor je nadenken. Zo hebben kinderen nogal eens de neiging om volwassenen als scheidsrechter in te schakelen. Maar kinderen kunnen al vanaf jonge leeftijd leren om conflicten zelf op te lossen. Door voortdurend als scheidsrechter op te treden, ontnemen we hen die mogelijkheid. Door in sommige gevallen simpelweg niet als scheidsrechter op te treden, kunnen we kinderen zelf laten nadenken. Soms door bewust een onverwachte, andere rol te kiezen.
Een leerkracht vertelt: ‘Hoe vaak komt het wel niet voor in kleutergroepen: een ontroostbare kleuter die bij meester of juf komt na geslagen of geschopt te zijn door een ander kind. Wat de desbetreffende dreumes in zijn hartverscheurende betoog nogal eens weglaat, is het feit dat hij zelf begonnen is met het slaan en schoppen. Maar dat terzijde. Lange tijd kon ik me verschrikkelijk ergeren aan dit soort gedrag van beide kleuters en aan de ellenlange monologen die ik vervolgens moest houden over dat slaan en schoppen niet mag en dat beiden maar even niet meer met elkaar mogen spelen. Sinds kort probeer ik een nieuwe aanpak. Wat doe ik? Ik ga helemaal mee in het verdriet van de huilende kleuter en beloof hem dat wij met z’n tweeën de andere kleuter net zo hard gaan terugslaan en -schoppen. Ik neem de verbaasde kleuter aan de hand, samen gaan we naar de andere kleuter. Aldaar aangekomen vertel ik wat ons plan is. Hoe het verder gaat? Wel, de huilende kleuter heeft ondertussen zijn tranen al gedroogd en ziet de absurdheid van de situatie in. Ook de andere kleuter staat wat onwennig te lachen. Wat is dit nou voor rare oplossing? In de verte rolt een bal en voor ik het weet, rennen de twee kleuters erachteraan.’
Kinderen kunnen prima zelf nadenken over hun gedrag en de consequenties daarvan. Voor ons als volwassenen is het de uitdaging die rol niet over te nemen, het alleen over onszelf te hebben en ondertussen alles in het werk te stellen om kinderen en jongeren zelf te laten nadenken. Absurditeit en humor – zoals in het voorbeeld hiervoor – zijn wat dat betreft prima middelen om het zelfdenkend vermogen van kinderen te stimuleren.
Zo vertelt een vrouw dat zij en haar man na de scheiding in hetzelfde dorp blijven wonen, alleen heeft haar ex-man een huis met een veel groter stuk grond dan zij. Op een dag komt haar dochter ontroostbaar thuis. Moeder vraagt wat er aan de hand is, waarop dochter vertelt dat de mensen in het dorp roddelden dat haar vader expres een groter perceel had gekocht, om te laten zien dat hij meer van de kinderen houdt dan moeder. Dochter was intens verdrietig. Zou dat echt waar zijn? Moeder was verontwaardigd. Hoe konden de mensen dat nou zeggen? Dat sloeg toch nergens op? Zou ze nou tegen haar dochter moeten zeggen dat het nergens op sloeg? Waarschijnlijk zou dat niet werken. En dus pakte ze de rekenmachine. ‘We gaan de mensen die dat zeggen helpen. We gaan voor ze uitrekenen hoeveel papa méér van jou houdt dan ik van jou hou. Eens even kijken, papa heeft een perceel van 10.000 vierkante meter, dat van mij is 500 vierkante meter, 10.000 gedeeld door 500 is precies 20. Zeg maar tegen de mensen die dat zeggen, dat ze gelijk hebben en dat papa 20 keer meer van jou houdt dan mama.’ Eerst keek de dochter haar moeder verbaasd aan, daarna schaterde ze het uit. Haar verdriet was onmiddellijk over.
Een kind mag voelen wat het voelt, denken wat het denkt, de normen en waarden ontwikkelen waar hij of zij in gelooft en heeft het recht daar al dan niet over te praten. Zoals een eigen fysieke ruimte voor een kind van groot belang is (je eigen slaapkamer), geldt dat ook voor een eigen psychologisch privéleven. Is die deur soms dicht? Prima. Ieder kind heeft recht op eigen twijfels, geheimen en onzekerheden. Zoals we niet ongevraagd de kamer van onze kinderen moeten betreden, moeten we ons ook niet ongevraagd met de psychologische wereld van onze kinderen bemoeien. Eerst kloppen, zeggen wie er voor de deur staat en dan netjes wachten op een antwoord.
We kunnen het leven van onze kinderen niet overnemen, regisseren of bepalen. Kinderen zullen, als autonoom wezen, hun eigen conclusies, inzichten en meningen moeten zien te vormen. En we helpen hen daar het best bij als we niet voor hén denken, maar voor onszelf denken: als we onze eigen gevoelens, twijfels en overwegingen uitspreken. Het kind kan vervolgens prima zijn eigen conclusies trekken. De ik-boodschappen waar we vorige week mee afsloten zijn een teken van dialoog, autonomie en erkenning. Jij-boodschappen zijn een teken van macht, afhankelijkheid en ontkenning.
Verantwoordelijkheid
Een derde en laatste vorm van autonomie heeft te maken met verantwoordelijkheid: de mate waarin we kinderen de ruimte geven zelf besluiten te nemen over hun eigen leven. Die behoefte is, van jongs af aan, zeer sterk. Wie is de baas? Wie bepaalt?
Al op zeer jonge leeftijd ontdekken kinderen dat er zoiets bestaat als ‘ik’ en ‘de ander’. Het ontwikkelen van een eigen ik, een eigen identiteit gaat dan ook gelijk op met het besef een autonoom wezen te zijn: jij bent niet de ander, dus jij hebt ook een andere identiteit dan de ander. Je bent een zelfstandig wezen, met eigen gevoelens en gedachten, die onafhankelijk van de ander kunnen bestaan. Voor kinderen is deze toenemende autonomie uiteraard van groot belang. Hoe meer ze hun autonomie kunnen ervaren, des te meer zullen ze beseffen een zelfstandig individu te zijn met een eigen identiteit.
Om die eigen identiteit te kunnen ervaren, zullen kinderen regelmatig het conflict met volwassenen opzoeken. Een conflict is op oppervlakteniveau misschien wel een lastige situatie, maar voor een kind bevat het een zeer bevredigend element: door ‘nee’ te zeggen, ervaart het zichzelf als autonoom wezen. Alsof het kind ermee zegt: ‘Jij kan als volwassene wel allemaal dingen van me eisen, maar ik ben mijn eigen baas, je hebt geen macht over me, ik kan gewoon “nee” zeggen.’
Het gaat erom dat je de autonomie van het kind erkent en daar op een creatieve manier mee omgaat.
Ik ben twee, dus ik zeg nee
De behoefte aan autonomie is zo sterk, dat het op dit gebied met kinderen soms gierend uit de hand kan lopen. Driftbuiten, woedeaanvallen, hakken in het zand. Dat begint al met peuters van een jaar of twee, drie. Bladen voor jonge ouders hanteren allerlei termen voor deze periode: sommige noemen het de koppigheidsfase, de peuterpuberteit, de ik-ben-2-dus-ik-zeg-nee-fase, andere spreken van the terrible two’s. Zelfs als niemand of niets hen ook maar een strobreed in de weg legt, buiten de zon schijnt en de vogels vrolijk fluiten, kunnen ze zich uiterst onredelijk gedragen. In deze periode moeten kinderen als het ware uitvinden wie ze zelf zijn. Het lastige is dat kinderen op deze leeftijd vaak nog niet goed weten wat ze precies voelen en willen en tegelijkertijd een toenemende behoefte hebben om zelf te beslissen. Niet alleen voor ouders, maar ook voor kinderen zelf is deze periode dan ook zeer verwarrend.
Deze toenemende behoefte aan autonomie is zo sterk, dat het gevecht om zelf te mogen beslissen, bijna belangrijker lijkt te zijn dan de uitkomst van het conflict. Zo ging er jaren geleden een filmpje viral van een vader die met zijn zoontje van een jaar of drie naar buiten gaat. De vader wil lopen, de zoon wil met de auto. De dialoog gaat ongeveer als volgt:
Vader: ‘We gaan naar de supermarkt, we gaan lopen.’ De zoon wijst op de auto: ‘Nee. Auto.’ Vader: ‘Nee, we gaan lopen, kom.’ Zoon: ‘Nee.’ Vader: ‘Jawel.’ Zoon: ‘Nee.’ Vader: ‘Ja. We gaan lopen. Echt.’ Zoon: ‘Nee.’ Dan houdt de vader even een korte pauze, denkt na en draait de rollen om. ‘Oké, auto.’ Waarop zoon zonder nadenken ook de rollen omdraait. ‘Nee. Lopen.’ ‘Jij je zin,’ zegt vader. Beiden lopen tevreden naar de supermarkt.

Je mag niet eten
Als het gaat om de autonomie van kinderen is met name wel of niet willen eten een groot probleem. Voor je het weet wordt eten een machtsstrijd. Kinderen kunnen een groot gevoel voor humor hebben en zijn soms in staat om te spelen met het verschijnsel autonomie.
Een vrouw vertelt over haar zoon van vier: ‘Onze jongste zoon eet, sinds hij vast voedsel krijgt, amper zijn warme eten. Zijn avondmaal is meestal niet meer warm te noemen, zo lang treuzelt hij. Regelmatig voer ik hem nog, om er in elk geval nog iets in te krijgen. Ik heb al verschillende tactieken geprobeerd: niets zeggen, gezellig kletsen, lief aansporen, boos worden, op de gang zetten met zijn bord, als iedereen al klaar is niet blijven wachten maar van tafel gaan en opruimen zodat hij nog alleen zit. Helaas. Niets helpt. Tot ik het over een compleet andere boeg gooide. Deze keer zei ik dat hij vooral niet moest eten, omdat hij anders veel te groot wordt. En als hij te groot wordt, moet ik weer nieuwe kleren kopen en wordt hij net zo stoer als papa. En dat willen we natuurlijk allemaal niet. Wat schetst mijn verbazing? Ik was nog niet uitgepraat, of hij ging eten! Grote happen. En met smaak! Ongelofelijk! Zijn hele bord leeg, wat in geen tijden was voorgekomen. Ik stond werkelijk perplex dat het zo ontzettend simpel is. En het verhaal wordt nog gekker: vandaag vroegen beide kinderen of ik weer wilde zeggen dat ze niet moesten eten. Kennelijk vinden ze dit spel zelf ook zo plezierig.’
Omgekeerde psychologie
Alhoewel het kenmerkend is voor kinderen van twee- en driejarige leeftijd om de grenzen van de ‘nee’ op te zoeken, is dit gedrag niet aan deze leeftijdsgroep voorbehouden. Ook oudere kinderen kunnen zeer dwars zijn om hun eigen autonomie te bevechten. Ervaren ouders, juffen en meesters kunnen hier soms zeer behendig mee omgaan door, net als de moeder hierboven, het gewenste gedrag te verbieden, de strategie van de omgekeerde psychologie, de reversed psychology, toe te passen. Het kind geraakt nu in een tweespalt. Als het gehoorzaamt, krijgt het wat het wil, maar als het zijn zin krijgt, krijgt het niet wat het wil.
Er was een jongen van acht jaar die nieuw op school kwam. De jongen weigerde vanaf het begin van de week zijn jas uit te doen. Waarom? Totaal onduidelijk. De meester vroeg hem uiteraard waarom hij zijn jas per se aan wilde houden, maar de jongen gaf een vaag en ontwijkend antwoord. De meester weigerde voor de jongen een uitzondering te maken, maar hoe meer aandacht er naar het vraagstuk ging, hoe vastbeslotener de jongen leek om zijn jas aan te houden. Dat ging zo door, totdat hij na een paar dagen les kreeg van de juf, die op donderdag en vrijdag met deze klas werkte. Ze had uiteraard van de meester gehoord van het eigenaardige gedrag van de jongen. De juf kreeg het, zonder enig conflict, voor elkaar dat de jongen na binnenkomst binnen een minuut zijn jas uitdeed en net als iedereen op de gang hing. Hoe? Door hem te verplichten zijn jas aan te houden.
Werkt dit ook bij pubers? Ach, het antwoord is natuurlijk – zoals altijd – soms wel, soms niet. Als het gaat om communicatie bestaan er nou eenmaal geen wetmatigheden. Er zijn geen ‘interventies’ die altijd werken. Wat we wel kunnen doen, is het verzamelen van zo veel mogelijk manieren om met situaties om te kunnen gaan. Het gaat vooral om creativiteit. Zeker bij pubers kan reversed psychology dan ook prima werken.
Zo beschrijft de gezinstherapeut Paul Watzlawick dat hij een gesprek heeft met een moeder van wie de zoon halverwege het eindexamenjaar weigert nog langer school te bezoeken. Wat is het argument van de jongen? ‘Ik hoef niet naar school, ik ben intelligent genoeg om zonder die domme lessen het examen te halen, het is een verspilling van mijn tijd.’ Dat klinkt stoer, maar ondertussen leert hij nauwelijks en haalt hij wel onvoldoendes. Watzlawick adviseert de moeder om met de directeur van de school onder één hoedje te spelen. Hij stelt voor dat de directeur de jongen verbiedt nog langer naar school te gaan. Aldus geschiedt. Nadat moeder de directeur van haar plan op de hoogte heeft gebracht, vindt er een gesprek plaats tussen de jongen en de directeur. De directeur valt meteen met de deur in huis. ‘Ik heb slecht nieuws. Je bent van school gestuurd.’ De jongen is verbaasd. ‘Waarom? Ik heb toch niks gedaan?!’ De directeur antwoordt: ‘Precies dat is het probleem. Je doet niks. Je vindt de lessen dom en denkt het alleen wel te kunnen. Ik betwijfel of dat zo is, maar ik zou zeggen: laat het maar zien.’ Verbaasd verlaat de jongen de kamer van de directeur om – zoals je mag verwachten – harder te werken dan ooit om te bewijzen dat niet de directeur en zijn moeder, maar hijzelf gelijk heeft. De grap is dat hij dat maar op één manier kan bewijzen. Door zijn examen te halen. Wat dan ook gebeurt.
Wat dit laatste voorbeeld betreft: als wij een lezing of workshop in het onderwijs geven en bovenstaand – of een vergelijkbaar – voorbeeld geven, is er bijna altijd wel een docent die geneigd is op te springen en te betogen dat hij of zij genoeg leerlingen kent waar dit niet bij werkt. En wat wij daar dan van vinden. Tja. We kunnen dat natuurlijk alleen maar beamen. Bij het ene kind werkt loslaten, het andere kind heeft regelmaat en structuur nodig. Zoals gezegd: op het gebied van communicatie bestaan er geen wetmatigheden. Het gaat niet om het vinden van dé methode om kinderen groot te brengen. Die methode is er niet. Waar het wel om gaat, is dat je de autonomie van het kind erkent en daar op een creatieve manier mee omgaat. Als je wilt omdenken, is het van belang je arsenaal van mogelijke interventies te verrijken. Het openzetten van de luiken. Het vinden van deuren waarvan je niet wist dat ze bestonden. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden en misschien moet Rome ook wel naar jou komen. Of moet je helemaal niet naar Rome willen. Nog makkelijker. Who knows.
Ben je er nog?
Het was weer een lange zit maar we denken dat dat het waard is. Want anders kijken naar lastig gedrag en creatief om kunnen gaan met de behoefte aan autonomie, verandert de sfeer in huis of in de klas echt enorm en stelt je in staat veel gedoe om te denken. Volgende week gaan we verder met deel 3 en leggen we nog concreter de link met autonomie in het onderwijs.

Wil je meer leren?
Op woensdag 24 juni leer je in ons theatercollege Lastige kinderen? Heb jij even geluk! in het Fulcotheater in IJsselstein meer over hoe je kunt omdenken in de opvoeding.
Want kinderen zijn een bron van irritatie, frustratie en soms wanhoop. Tegelijkertijd zijn ze ook een onuitputtelijke bron van intens plezier, avontuur en vooral liefde.
We gaan niet positief denken, we gaan jou niet vertellen hoe je moet opvoeden. We leren je met dit hilarische, ontroerende en vooral inspirerende theatercollege wél anders te kijken naar lastig gedrag én er op een constructieve manier mee om te gaan. Zoals bij alles van Omdenken is deze avond een mix van theater, lezing en cabaret.
Heb jij ook een omdenkverhaal?
Iedere zondag lees je op deze website een Omdenkverhaal. Kom je zelf zo’n verhaal tegen? Bijvoorbeeld in de krant, op je werk, thuis of online. Of heb je zelf iets omgedacht dat perfect past tussen alle Omdenkverhalen op deze website? Laat het ons dan vooral weten, want we zijn altijd op zoek naar fraaie voorbeelden. Mail jouw verhaal of tip naar contact@omdenken.nl. Dank je wel!
Deel dit verhaal:
