Binnenkort geven we ons theatercollege Lastige kinderen? Heb jij even geluk! in het Fulcotheater in IJsselstein. En iedere keer als mensen die titel voorbij zien komen, krijgen we de reactie “lastige kinderen bestaan niet!”. En dat klopt. De titel is bewust prikkelend. Een tikkeltje provocatief misschien. Want in onze boeken, zakelijke programma’s en theatercolleges over dit onderwerp willen we je juist duidelijk maken dat het lastige gedrag van onze kinderen niets anders is dan ruwe energie, ongestold verlangen; een behoefte die zich op een stuntelige manier uitdrukt. Als je die behoefte leert begrijpen, leer je ook het gedrag begrijpen. En die andere blik zorgt er vervolgens weer voor dat je er op een veel constructievere manier mee om leert gaan. En daar wordt het thuis een stuk gezelliger van.
De komende weken nemen we je in onze omdenkverhalen graag mee in onze kijk op de opvoeding. We richten ons op één van de meest belangrijke behoeften van een kind: autonomie. Vandaag deel 1. Hou je vast, daar gaan we.
Naturalis
Een moeder gaat met haar drie kinderen een dagje uit naar het museum Naturalis in Leiden. Het is druk en moeder voelt de onrust al opkomen. ‘Hoe hou ik dit spul bij elkaar? Straks vliegen ze alle kanten op. Ik wil zelf toch ook van het museum genieten?’ Aangezien de vrouw geen zin heeft om voortdurend commando’s als ‘kom hier’, ‘blijf af’, ‘ga mee’, ‘let op’ en ‘luister’ op haar kinderen te moeten afvuren, krijgt zij een plotselinge ingeving. Ze draait de rollen om. De kinderen gaan op haar letten! Zo gezegd, zo gedaan. Bij betreding van het museum instrueert ze de kinderen dat ze goed op mama moeten letten, ‘omdat ze elkaar anders kwijtraken’. Voor de zekerheid geeft ze hun ieder een briefje mee met haar mobiele nummer. Voor het geval dat. Wat is het effect? In de zalen gaat iedereen z’n eigen gang. Moeder geniet, de kinderen genieten. Moeder houdt de kinderen in de gaten, maar moeder ziet dat de kinderen haar ook in de gaten houden. Iedereen blijft als vanzelf bij elkaar in de buurt en zodra moeder aan het eind van het museumbezoek postvat bij de uitgang, komen haar kinderen onmiddellijk naar haar toe. Moeder rapporteert na afloop: ‘We zijn drie uur binnen geweest. Na afloop had ik al mijn energie nog over. En de kinderen? Die zaten op de terugreis tevreden op de achterbank van de auto, omdat ze goed op mama hadden gelet.’
Kinderen zijn dan wel geen volwassenen – zij zijn minder groot, hebben minder ervaring en minder kennis – maar dat wil niet zeggen dat ze niet in staat zijn zelf beslissingen te nemen en verantwoordelijkheden te dragen. Als kinderen zich tegen volwassenen verzetten, doen ze dat niet omdat ze zich per definitie af zouden zetten tegen ‘volwassenen’ of een andere ‘generatie’. Er bestaat niet zoiets als een biologisch bepaalde ‘generatiekloof’. Veel lastig gedrag dat kinderen vertonen, is het gevolg van het feit dat ze in opstand komen tegen een voor hun gevoel onnodige en vooral oneerlijke beknotting van hun gevoel van autonomie. Kinderen verzetten zich niet tegen volwassenen, ze verzetten zich tegen de macht die volwassenen gebruiken. Aan de andere kant kunnen kinderen zich, als ze zich in hun autonomie gezien en gewaardeerd weten, vaak zeer zelfstandig en verantwoordelijk gedragen.
Identiteit
Kinderen zijn geen kopie van ons, geen bezit van ons en ook niet ons personeel. Kinderen zijn van zichzelf. Ze leven met ons, niet voor ons. Vanaf het moment dat de navelstreng doorgesneden is, is een kind een zelfstandig wezen. Weliswaar afhankelijk van onze zorg en aandacht, maar een wezen op zich, met een eigen naam, identiteit, persoonlijkheid en toekomst. Het leven van onze kinderen is met ons leven verweven en verbonden, maar niet onlosmakelijk verknoopt.
Kinderen hebben vanaf zeer jonge leeftijd een sterke behoefte om als autonoom wezen gezien te worden, en dat kunnen we als ‘lastig gedrag’ beoordelen, maar we kunnen er ook op een positieve manier mee omgaan. Er ‘ja’ tegen zeggen. Vanaf het moment dat we die invalshoek kiezen, kunnen we de behoefte aan autonomie gebruiken als een hefboom om lastig gedrag om te denken.
Laten we beginnen met een ogenschijnlijk voor de hand liggende vraag: wat is precies autonomie? En staat autonomie niet op gespannen voet met het feit dat jij verantwoordelijk bent voor een kind en dus soms besluiten moet nemen tegen zijn of haar wil in? Een kind kan toch niet de baas zijn?
We kunnen de behoefte aan autonomie gebruiken als een hefboom om lastig gedrag om te denken.
Lichamelijke integriteit
De autonomie van een kind kent drie verschillende aspecten. Autonomie van het kind begint uiteraard met de fysieke autonomie: een eigen kamer, de mogelijkheid zich af te sluiten, de afwezigheid van lijfstraffen en geen lichamelijk ongewenste handelingen. Wettelijk is er wat dat betreft al veel geregeld. Kinderarbeid is afgeschaft, als ouders hun kinderen seksueel misbruiken of mishandelen is dat strafbaar. Toch komen er daarna al snel twijfelgevallen. Ouders die hun kinderen slecht te eten geven: is dat alleen hun eigen verantwoordelijkheid? Je kind voor straf opsluiten in zijn kamer? Of, nog een beetje onschuldiger: tante Ursula die haar neefje met haar borsten plet en hem een kleffe, natte zoen geeft? Kinderen ‘gezellig’ op schoot trekken, terwijl ze dat niet willen? Kinderen verplichten nette kleren aan te doen, terwijl ze daar geen zin in hebben? Kinderen verplicht handjes laten geven aan de visite, terwijl ze het met zichtbare tegenzin doen? Kinderen de haren kammen terwijl het pijn doet?
Er is geen hard en duidelijk antwoord op de vraag wat wel en niet is toegestaan. De vraag is hoe wij op een zo constructief en respectvol mogelijke manier met de behoefte aan autonomie van het kind om kunnen gaan. Wat dat betreft zouden we er een pleidooi voor willen houden om kinderen zo autonoom mogelijk te behandelen. Na het kind erkennen is omgaan met het kind als autonoom wezen de meest effectieve manier om lastig gedrag te voorkomen en, als het zich voordoet, om te denken in constructief gedrag. Je bewust niet bemoeien met een kind, het kind laten, is een manier van met het kind omgaan, die we in waarde niet kunnen overschatten. Dat begint met een kind fysiek in zijn waarde laten.
Misschien ken je dit wel van toen je klein was. Je moeder maakt je gezicht schoon, door wat van haar spuug op een zakdoekje te doen. Ze houdt jouw gezicht stevig vast en met flink wrijven met de zakdoek werkt ze eventuele vlekken weg. Is dat een erge lijfstraf? Nee, helemaal niet. Het is misschien wat vies en onsmakelijk, maar het ergste is misschien wel dat ze het deed terwijl je luid en duidelijk aangaf het niet te willen.
Uiteraard blijft in twijfelgevallen de regel gelden dat verzorging centraal staat. Heeft het kind kiespijn en durft het, ook na geduldig uitleggen, de tandarts geen verdoving te laten zetten? In dat geval: wél doen! Maar zelfs in die gevallen kan je met het kind bespreken wat er aan de hand is en het betrekken – als autonoom wezen – in de manier waarop de dingen zullen (moeten) gebeuren. Laten we een voorbeeld geven.

Kiespijn
Een jongen van 7 kon als gevolg van kiespijn niet slapen. De tandarts constateerde een gaatje, er moest geboord worden. De jongen vond het verschrikkelijk; hij trok wit weg en verzette zich zo hevig toen de tandarts een spuitje met verdoving wilde geven, dat de ouders onverrichter zake naar huis gingen. Die nacht kon de jongen opnieuw niet slapen van de kiespijn. Vader besprak het probleem met zoon aan de ontbijttafel.
‘Wat zullen we doen?’ vroeg vader. De jongen had geen idee. Hij zat klem tussen zijn kiespijn enerzijds en de tandarts anderzijds. ‘Ik wil wel nog een keer naar de tandarts gaan,’ zei vader, ‘maar dan gaan we niet terug voordat hij de kiespijn heeft kunnen behandelen.’ De jongen begreep dat. ‘Maar wat als je dan straks weer niet wilt?’ vroeg de vader. ‘Wat moet ik dan?’ De jongen dacht na. Daarop antwoordde hij: ‘Dan moet je me maar gewoon vasthouden als ik het spuitje krijg.’ ‘Dat is goed,’ zei vader. ‘Ben je dan na afloop niet boos op me?’ ‘Nee,’ zei de jongen. En aldus geschiedde.
Psychologische integriteit
Of je de fysieke integriteit van een kind wel of niet respecteert, is vrij gemakkelijk te bepalen. Het kind heeft een eigen lichaam, wij hebben een eigen lichaam: het is in veel gevallen duidelijk wanneer de grens overschreden wordt. Heel wat lastiger wordt het als het gaat om een tweede vorm van autonomie, de psychologische integriteit. We hebben nogal eens de neiging ons bovenmatig te bemoeien met de binnenkant van een kind, met wat hij of zij denkt en voelt.
Observeer voor de aardigheid eens op een crèche, kinderdagverblijf of verjaardagspartijtje hoe ouders, peuterleidsters of docenten over kinderen praten. Je zal zien dat een groot deel van de observaties te maken heeft met de binnenkant van het kind. Uitspraken als ‘dat durft hij niet’, ‘hij wil zich gewoon groter voordoen dan hij is’ of ‘ze heeft gewoon moeite met tegenslag’ zijn niet van de lucht. Als volwassenen hebben we voortdurend de neiging kinderen psychologisch te analyseren. Te duiden wat er aan de binnenkant plaatsvindt.
Nou is dat op zich niet zo erg – als volwassenen onder elkaar hebben we die neiging ook en ook kinderen doen dat over elkaar en over ons; dat alles is niets anders dan gezond roddelen. Overal waar mensen bij elkaar betrokken zijn en op elkaars huid zitten, wordt geroddeld. Het is een normaal onderdeel van de sociale interactie – maar het wordt wél problematisch als onze observaties (volkomen) onjuist zijn, en al helemaal als we onze aannames ook nog eens uitspreken in aanwezigheid van onze kinderen. Vooral dat laatste kan voor een kind erg kwetsend overkomen. In aanwezigheid van een meisje van veertien op een lacherige toon tegen de visite vertellen dat ze ‘gewoon heel onzeker is over haar uiterlijk’, maar dat dat niet erg is ‘want dat was jij ook op die leeftijd’ is minstens even beledigend als het kind in zijn fysieke integriteit kwetsen. Ook uitspraken van docenten die zich met de binnenkant van een leerling bemoeien – ‘Gerritsen, proberen we weer indruk op de meisjes te maken?’ – getuigen van een vorm van ongewenste psychologische bemoeienis.
Ik-boodschappen
Kinderen als autonoom benaderen hoeft niet te betekenen dat we als ouders niet duidelijk aanwezig mogen zijn. Integendeel. Als we hen als autonoom wezen zien, betekent het dat we ervan uitgaan dat we ook onszélf als autonoom wezen zien. En die twee werelden kunnen best eens met elkaar botsen. Sterker nog, die botsingen zijn een gezond onderdeel van het samenleven met elkaar. Het is alleen de uitdaging die botsingen er zo uit te laten zien, dat de psychologische autonomie van het kind daarbij ongeschonden blijft. Dat we het over onszelf hebben en niet over het kind. Het is de kunst ik-boodschappen in plaats van jij-boodschappen te geven, de eigen gedachten als vertrekpunt te kiezen in plaats van de (vermeende) gedachten van het kind. Wat dat laatste betreft gaat het nogal eens mis.
Om een eenvoudig voorbeeld te geven: stel, een vader is zijn zoontje van vier in de supermarkt kwijt en vindt hem na een lange tijd zoeken weer terug. Door welke emoties is de vader dan gegaan? Waarschijnlijk iets in de orde van zorgen, paniek en daarna opluchting. Als de vader als psychologisch autonoom wezen denkt en handelt, zal hij tegen zijn zoon dan ook iets zeggen in de trant van ‘Wat ben ik blij dat ik je teruggevonden heb, ik ben zo verschrikkelijk ongerust geweest, ik was bang dat ik je niet terug zou vinden’. Welke conclusie zou zijn zoon waarschijnlijk trekken? Mijn vader houdt van mij, heeft zijn best gedaan mij terug te vinden en is opgelucht dat dat gelukt is. De volgende keer moet ik misschien wat beter opletten dat ik mijn vader niet kwijtraak.
Toch is dat vaak niet wat er in de praktijk gebeurt. In de praktijk laten we onze primaire emoties vaak niet zien, maar wel onze secundaire: boosheid en irritatie. We zijn geneigd iets te zeggen in de trant van: ‘Waarom ben je nou weggelopen? Had je niet even kunnen nadenken? Het is ook zo vervelend om met jou de stad in te gaan. Ik weet niet of ik dat nog een keer doe.’ Wat zal het kind concluderen? Mijn vader heeft een hekel aan mij, ik doe alles fout, straks mag ik niet meer mee.
Ik-boodschappen creëren verbinding en harmonie, jij-boodschappen afstand en conflict. Door te leren jij-boodschappen door ik-boodschappen te vervangen, kunnen we lastig gedrag voorkomen en omdenken. Ook hier geldt als vertrekpunt: bemoei je niet met je kind, accepteer het zoals het is en heb het vooral over jezelf.
Als je het over je eigen gevoelens hebt, hoeft dat niet altijd de toon van zachtheid, teleurstelling of verdriet te hebben. Ik-boodschappen kunnen zeer heftig zijn. Stel dat je kind van drie een ander kind van dezelfde leeftijd met een hockeystick hard op het hoofd slaat. Je kan dan voorzichtigjes een ik-boodschap proberen te geven in de trant van: ‘Jan-Peter, ik schrik wel een beetje als je dat doet, ik denk dat Willem-Kees erg veel pijn heeft en dat vindt mama niet fijn om te zien.’ Maar de kans is groot dat een dergelijke boodschap niet binnen zal komen bij Jan-Peter. In dit geval is het logischer en effectiever om van de schrik heftig te schreeuwen en iets te roepen als: ‘Aargh. Wat doe je?!’ Jan-Peter kan vervolgens na zo’n heftige kreet prima de conclusie trekken dat jouw uitroep een gevolg was van zijn onbesuisde uithaal met de hockeystick. Dat hoef je hem echt niet meer uit te leggen.
Dus wanneer je ongerust bent als je dochter van zestien om halfvijf ’s nachts nog niet thuis is terwijl ze beloofd had er om halftwaalf te zijn, is er ook niks mis mee om je gevoelens van onrust (omdat je je zorgen maakte) én machteloosheid (omdat je niks kon doen op dat moment) zeer heftig te tonen. Door zich niet aan haar afspraak te houden, creëert je dochter een uiterst frustrerende en beangstigende situatie en dat mag ze best weten. Maar ga haar op zo’n moment niet ‘opvoeden’ door te zeggen dat ze niet deugt, nooit rekening met je houdt of egoïstisch is. Het effect is waarschijnlijk alleen maar averechts. Door het over je eigen gevoelens te hebben, help je haar om over haar eigen verantwoordelijkheid na te denken. En, zoals gezegd, die eigen gevoelens mag je best heftig uiten. Het erkennen van de gevoelens van je kind gaat uiteraard hand in hand met het erkennen van je eigen gevoelens.
Ben je er nog?
Ja, veel theorie hè? Maar ongelooflijk interessant. Vinden wij zelf. Daarom vertellen we er ook zo graag over. Want anders kijken naar lastig gedrag en autonomie verandert de sfeer in huis of in de klas echt enorm en stelt je in staat veel gedoe om te denken. Volgende week gaan we verder met deel 2 en duiken we onder andere in de derde vorm van autonomie: verantwoordelijkheid.

Wil je meer leren?
Op woensdag 24 juni leer je in ons theatercollege Lastige kinderen? Heb jij even geluk! in het Fulcotheater in IJsselstein meer over hoe je kunt omdenken in de opvoeding.
Want kinderen zijn een bron van irritatie, frustratie en soms wanhoop. Tegelijkertijd zijn ze ook een onuitputtelijke bron van intens plezier, avontuur en vooral liefde.
We gaan niet positief denken, we gaan jou niet vertellen hoe je moet opvoeden. We leren je met dit hilarische, ontroerende en vooral inspirerende theatercollege wél anders te kijken naar lastig gedrag én er op een constructieve manier mee om te gaan. Zoals bij alles van Omdenken is deze avond een mix van theater, lezing en cabaret.
Heb jij ook een omdenkverhaal?
Iedere zondag lees je op deze website een Omdenkverhaal. Kom je zelf zo’n verhaal tegen? Bijvoorbeeld in de krant, op je werk, thuis of online. Of heb je zelf iets omgedacht dat perfect past tussen alle Omdenkverhalen op deze website? Laat het ons dan vooral weten, want we zijn altijd op zoek naar fraaie voorbeelden. Mail jouw verhaal of tip naar contact@omdenken.nl. Dank je wel!
Deel dit verhaal:
